Christelijke Gereformeerde Kerk Damwâld

PDF

Wilhelmus à Brakel over het Heilig Avondmaal (1)

De noodzaak van de voorbereiding
Wilhelmus à Brakel
Wie rond het jaar 1650 op de vroege maandagmorgen de weg van Beers naar Leeuwarden aandeed, kon daar iedere week zien, hoe een vader samen met zijn zoon een deel van de weg naar Leeuwarden aflegde. Op een bepaald moment namen vader en zoon afscheid van elkaar. En terwijl de zoon – al biddend – verder ging in de richting van Leeuwarden om daar onderwijs te volgen aan de Latijnse School, bleef zijn vader hem nog een tijdlang nastaren, terwijl hij voor hem bad.

393px-brakel

Wie waren deze biddende vader en zoon? De vader was Dirk Gerrits (Theodorus) à Brakel, vroeger ‘schooldienaer’ in Leeuwarden en later predikant van Jellum en Beers. De zoon was Wilhelmus à Brakel (1635-1711), die na zijn studie niet minder dan vier Friese gemeenten heeft gediend: Exmorra, Stavoren, Harlingen en Leeuwarden. De laatste gemeente die hij diende, was Rotterdam.
Wilhelmus à Brakel is vooral bekend geworden door zijn boek de Redelijke Godsdienst. Dit prachtige boek is – voor wat de eerste twee delen betreft – verdeeld in 103 hoofdstukken, waarin A Brakel de hoofdzaken van het christelijk geloof (deel I) en het christelijke leven (deel II) behandelt. Eén van die hoofdstukken wil ik in deze en de komende afleveringen van Foar ’t Finster bespreken. Het gaat dan om hoofdstuk 41: ‘Praktijk van het Heilig Avondmaal in de voorbereiding, betrachting en nabetrachting’. De volledige tekst van dit hoofdstuk kunt u lezen in de Redelijke Godsdienst, als u dit boek in uw kast hebt staan. Ik zag dat dit hoofdstuk ook digitaal te raadplegen is op de website van onze gemeente,
www.cgk-damwoude.nl.
Het Heilig Avondmaal – een bestreden zaak
A Brakel begint hoofdstuk 41 met de volgende woorden: ‘Alles waarin het meeste nut voor de kinderen van God steekt, wordt het meest bestreden door de duivel en zijn aanhang. Daaronder valt ook het Heilig Avondmaal’. Wie de geschiedenis van de kerk overziet, zal dat beamen. Wat heeft de duivel in de loop van de tijd veel misverstanden en dwalingen over het Heilig Avondmaal laten ontstaan. Denkt u bijvoorbeeld aan de Roomse dwaling over de aanwezigheid van Christus in het Avondmaal, die in zondag 30 van de Heidelbergse Catechismus wordt afgewezen.
Het is een grote zegen als we het juiste, Bijbelse zicht op het Heilig Avondmaal mogen hebben. Maar als nu onze beschouwing van het Heilig Avondmaal juist is? Als ‘de theorie in orde is’? Dan geeft de duivel het niet op. Dan zal hij alles in het werk stellen om de praktijk van het Heilig Avondmaal te verstoren. En waar begint hij dan? Bij de voorbereiding!
Voorbereiding – niet nodig?
Het eerste grote gevaar dat op de loer ligt, is dat we menen dat voorbereiding op het Heilig Avondmaal níet nodig is. Niet nodig in het algemeen. Of niet nodig voor ons. Waar komt die gedachte vandaan? Aan de overtuiging dat voorbereiding voor ons niet nodig is, kunnen verschillende gedachten ten grondslag liggen. Ik noem er enkele.
Wellicht denkt u of jij: Ik heb geen belijdenis gedaan, zodat het kerkelijk recht tot het Heilig Avondmaal me ontbreekt. En omdat het kerkelijk recht me ontbreekt, hoef ik ook niet te worstelen met de vraag of ik een Goddelijk recht tot het Avondmaal heb. Iemand anders zegt bij zichzelf: Ik ben toch onbekeerd en dus ga ik niet aan en dus hoef ik me op de Avondmaalszondag niet voor te bereiden. Een derde zegt: Maar natuurlijk ga ik aan het Avondmaal; ik heb belijdenis gedaan en sindsdien ben ik altijd aan het Avondmaal gegaan. Ik heb het geloof en dus ga ik aan het Avondmaal. En een vierde zegt: Ja, maar in die en die gemeente hebben ze helemaal geen voorbereiding en daar houden ze iedere week Avondmaal.
Voorbereiding – wel nodig!
Is voorbereiding wel nodig? We luisteren naar wat A Brakel hierover geschreven heeft. Hij noemt in totaal vijf redenen waarom voorbereiding wél nodig is. Ik vat ze voor u samen in de volgende drie punten.
(1) Allereerst is voorbereiding nodig vanwege onze zondigheid en aardsgezindheid. A Brakel schrijft: ‘Omdat de gelovigen nog de oude Adam en aardsgezindheid in zich hebben, zakken zij nog gedurig weer naar de aarde, zoals de gewichten in een uurwerk’. Vanwege deze aardsgerichtheid kan de gelovige niet zomaar aan het Heilig Avondmaal aangaan, maar moet hij zich van tevoren opwekken en op de geestelijke dingen richten.
(2) In de tweede plaats is voorbereiding nodig vanwege Gods heiligheid. Wie het Avondmaal houdt, nadert tot een heilige tafel en tot een heilig God. Dat kan niet zomaar. kerkje beers‘Ieder zal daar nauwkeurig op aangekeken worden of hij ook een bruiloftskleed aan heeft, dat wil zeggen: daar in een passende gesteldheid van het hart verschijnt’. Het Avondmaal zelf is ook niet zomaar iets; het is – zo schrijft A Brakel – ‘een buitengewoon werk’. ‘Men nadert tot God op een buitengewone wijze, en dat zeer dichtbij’. En het is een door en door Bijbelse lijn, dat wie op een bijzondere manier tot de heilige God nadert, zich daarop moet voorbereiden. Leest u in dat verband de volgende Bijbelgedeelten maar eens: Exodus 19:10-11; Jozua 3:5; Exodus 3:5; 1 Samuël 16:5.
(3) Tenslotte is voorbereiding nodig, omdat de Heere juist in die weg Zijn zegen wil geven. A Brakel schrijft: ‘Ook zal men doorgaans merken dat men zegen ontvangt, nadat men zich heeft voorbereid’.
Nee, dat betekent niet dat een mens de zegen bij het Avondmaal kan verdienen door zijn voorbereiding. Want de Heere zou Zijn beschamende zegen ook kunnen geven aan iemand die zijn voorbereiding op het laatst heeft laten aankomen. Al zul je dan wel met je slordige voorbereiding voor de Heere in de schuld komen. En het kan ook wel eens gebeuren, dat bij iemand die zich ernstig heeft voorbereid, ‘aan de tafel een plotselinge duisternis en doodsheid op hem valt, zodat hij die bemoedigd aanging, droevig weer naar zijn plaats keert’. Maar de hoofdregel is deze: ‘doorgaans geeft God op ernstige voorbereiding zegen’.
Indringende vragen
Vanuit datgene wat A Brakel hier schrijft, komen indringende vragen tot ons allen. De eerste vraag is wel deze: Maken wij ernst met de voorbereiding?
Ja, die vraag komt ook tot u en jou, die geen kerkelijk recht hebt ontvangen om het Heilig Avondmaal te gebruiken. En dezelfde vraag komt niet minder tot diegenen die onverschillig staan tegenover het Avondmaal en op voorhand al zeker weten dat ze niet aangaan, zonder daarmee worstelingen te hebben. Het is voorbereiding voor iedereen. Iedereen die onder het Woord verkeert, wordt geroepen zichzelf te beproeven en te onderzoeken: Hoe sta ik tegenover de Heere? Hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God? Wat een zegen zou het zijn, als een onbekeerde, onverschillige man of vrouw of jongere met die vragen eens in de klem gebracht werd. In de nood kwam. Daar kan de Heere de voorbereiding ook voor gebruiken. Daarom: Maak ernst met de voorbereiding!
Dezelfde vraag – maken we ernst met de voorbereiding? – komt niet minder dringend tot hen die vanzelfsprekend aangaan. U zegt het misschien bij uzelf: ‘Natuurlijk ga ik aan; ik ben altijd al aangegaan. De Heere vraagt het toch van ons? Avondmaal is voor mij iets vanzelfsprekends.’ Als de avondmaalsgang voor u of jou een vanzelfsprekendheid is, komt de ernstige vraag tot u: Ként u God eigenlijk wel? Kent u Hem zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart? Als ‘de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is’? En kent u uzelf wel? Als een onheilig mensenkind, die vanwege zijn zonde voor God niet kan bestaan? Want als die dingen echt wegen op je hart, kan het Avondmaal nooit een vanzelfsprekendheid zijn. Dan worstel je met de vraag hoe die heilige God en die onheilige zondaar die je zelf bent, nu ooit bij elkaar kunnen wonen. En dan wordt het een wonder als je heel persoonlijk uit de mond van de Heere mag vernemen: ‘Ik woon in de hoogte en in het heilige én bij dien die van een verbrijzelde en nederige geest is’. Zonder die verbrijzelde en nederige geest kom ik ‘rijk en verrijkt’ naar het Avondmaal. En rijken zendt de Heere ledig weg.
Laat het ons allen mogen aansporen om ons ernstig voor te bereiden op de Avondmaalszondag. Hoe? Daarover zal A Brakel ons Deo volente een volgende keer onderwijzen.
A.J.T. Ruis