Christelijke Gereformeerde Kerk Damwâld

PDF
Meditatie
“Want de lippen des priesters zullen de wetenschap bewaren en men zal uit zijn mond de wet zoeken” Maleachi 2 : 7a
Wat is de positie van een predikant? Hij is de schatkamer van Gods huis. Een heel opmerkelijk antwoord, vindt u niet? Hij is toch geen wandelende schatkamer? Toch vinden we dit antwoord in de kanttekeningen bij Maleachi 2 : 7. Daar lezen we “een goed leraar behoorde te zijn als de schatkamer van Gods huis. Hij moet de schatten of verborgenheden Gods niet behouden voor zichzelf maar hij moet het zijn toehoorders rijkelijk en getrouwelijk uitdelen.”
Wat wordt in die schatkamer bewaard, wat ligt daar opgeslagen om uitgedeeld te worden?
De wetenschap. Daarmee wordt bedoeld de ware kennis van de openbaring van God. Hij is de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Het gaat dus om de kennis van de leer van vrije, soevereine genade. De leer van verkiezing en verwerping, de leer van de verlossing en de vernieuwing, van de verzoening door voldoening. De wetenschap van de ernst van dood en leven, vloek en zegen, van de dood in Adam en het leven in de Tweede Adam. De leer van recht en genade. Dat is een wetenschap waar je geen universitaire studie voor nodig hebt, zodat het voor eenvoudigsten verstaanbaar is. Maar ook een wetenschap waar de knapste professor niets van verstaat. Het is een wetenschap die door het geloof, gewerkt door Gods Geest, wordt verkregen. Dan kan je zeggen: “ik weet hoe ‟t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen.” En : “dit weet ik dat God met mij is”. Wat is een heerlijker en verhevener wetenschap dan deze? Het is de enige troost. Het is een wetenschap waar je mee kunt leven en sterven. Kent u die geloofswetenschap?
De taak van de dienaar des Woords is om die wetenschap niet voor zichzelf te houden, maar hij moet die, aldus de kanttekeningen: “rijkelijk en getrouwelijk uitdelen.” Er staat immers dat de lippen des priesters de wetenschap zullen bewaren. Dat is niet een bewakingsopdracht, zodat niemand er bij kan komen. In tegendeel. Hij is uitdeler van de menigerlei genade Gods. Verkondiger van die zeer blijde en goede Boodschap. Er staat: de lippen des priesters. Dus: er moet gesproken worden. David bad: “Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen”. Dan dient er op de kansel, maar ook in de kerkenraadskamer, in het catechisatielokaal, in de huiskamer, in de ziekenkamer en in de sterfkamer, bij een huwelijksvoltrekking en bij een geopend graf gesproken te worden dat de Heere recht is in al Zijn weg en werk en goed is voor een arme en alles-verbeurd-hebbende zondaar. Dat moet rijkelijk maar ook getrouw verkondigd worden. Dan moeten we eerlijk behandeld worden in de prediking. Het mag niet aangepast worden naar menselijke smaak en voorkeur. We moeten horen wie we zijn in onszelf. Arme, verloren, doemwaardige zondaren. Maar ook wat nodig is. Dat we niet bouwen op, en onszelf stijven in eigen gedachtegangen en werken. In tegendeel: alles wat buiten Christus is kan niet voor God bestaan. Alleen Zijn gerechtigheid, Zijn zoen- en kruisverdiensten redden van het verderf en de dood. Dat is een boodschap niet naar het vlees en niet naar de mens. Heerlijk mag echter aangewezen en aangeprezen worden dat de zaligheid in geen Ander is dan in die enige Naam Jezus Christus en Die gekruisigd. Zalig worden is een werk Gods. Niet door een dominee, niet door kracht, noch door geweld. Maar door Gods Geest zal het geschieden dat zondaren bekeerd worden tot God.
Deze taakomschrijving is niet alleen van belang voor de predikant, maar ook voor de gemeente, waarin hij werkt. Luister maar naar Maleachi: “men zal uit zijn mond de wet zoeken.” Wie is die “men”? Dat is de gemeente, dat zijn de kinderen, de jeugd, de ouders en de ouderen, dat zijn de zieken en de gezonden, de rijken en de armen, de vaders en de moeders, de weduwen en de weduwnaren, de alleenstaanden en alleengaanden. Dat zijn doopleden, meelevende leden en belijdende leden. Dat zijn onbekeerden en bekeerden, bekommerden en de van-verre-staanden en zij die verzekerd zijn in het ware geloof. Die “men”, krijgt de taak om “uit zijn mond de wet te zoeken”. De wet, letterlijk: de thora. Dat is wetsonderricht, Wet en Evangelie, de gehele leer die naar de godzaligheid is. De Heere zal immers door onderwijzing hen die dwalen, brengen in het rechte spoor. Maar ook na ontvangen genade door verootmoediging voor Zijn aangezicht. Wat betekent dat dus concreet? Dat je je getrouw stelt onder het Woord dat gepredikt wordt. Dat je het Woord Gods uit de mond van de predikant zoekt. “Men zal…” zo staat er. Eigenlijk is het een bevel. We zijn dat verplicht. Omdat de Heere door de dwaasheid der prediking belooft zalig te maken degenen, die geloven. Het geloof is immers uit het gehoor van het Woord Gods. Zoek dat daarom ook biddend. Ook als de prediker niets van u overlaat, als het ontdekkend, ontgrondend en ontledigend is. Want uit die schatkamer wordt de weg verklaard hoe zondaren, misvormd door duizend zonden, weer met God verzoend kunnen worden. Hoe verloren zonen en dochters te maken krijgen met een God Die uitziet om gans hulpelozen, tot Hem gevloden, tot redding te zijn.
Menigmaal mocht gehoord worden hoe er in de binnenkamer geworsteld en gezucht was hoe het ooit goed zou kunnen komen tussen God en de ziel. Was het ook uw verzuchting? Gesmeekt werd er aan de troon der genade en…van de kansel werd het hart verklaard en getoond dat wat onmogelijk was bij de mensen, mogelijk was bij God vandaan. Voor Hem was toch geen ding onmogelijk? Dan mag er uit die schatkamer verkondigd worden dat er doen aan is, dat er Eén is Die arm werd om aan armen Zijn hulp ter verlossing te tonen. Uit die schatkamer mag verkondigd worden dat doden zullen horen de stem van de levende God. Wat moet ik doen opdat ik zalig worde? Uit die voorraadkamer klinkt het: gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis!
Wat wensen we een gemeente toe? Dat er veel kerkgangers zullen komen? Bezoekers? Nee, dat er veel zoekers zullen komen. Jongeren, ouderen die komen om te zoeken onderwijs voor hun arme ziel. Bekommerden en hongerigen en dorstigen om geestelijke spijze en drank te zoeken uit de voorraadschuren van de Meerdere Jozef. Mensen, die staan naar vermeerdering van kennis van en genade in Christus. Als uw oud predikant wens ik uw nieuwe dominee veel bediening toe in het uitstallen van de schatten uit de voorraadkamers en de (zoekende) gemeente onderwijs daaruit door de Heilige Geest toegepast.
Tollebeek Ds. A. van de Weerd

(Met de woorden van deze tekst mocht ik destijds ds. G. Bouw in 1987 bevestigen op Urk, terwijl ik hierover ook schreef voor Nieuwkoop toen ds. A.A. Egas daar mijn opvolger werd. AvdW)