Christelijke Gereformeerde Kerk Damwâld

PDF
Inhoudsopgave
Historie cgk
stichting
kerkdiensten
Doopledenstelsel
belijdenis des geloofs
kerkelijke tucht
besluit
Alle pagina's


Dat kan ook weer gezegd worden van het dorp Damwoude. Vroeger had het een andere naam. De kerkelijke gemeente bevond zich in het dorp Murmerwoude. Deze naam zou kunnen herinneren aan de moord op Bonifacius, die lang gelden in deze streken plaats vond. Damwoude werd later een verzamelnaam voor de gemeenten Dantumawoude, Akkerwoude en Murmerwoude. De hoofdletters van de genoemde plaatsen brengen ons bij de naam DAMwoude.


testValt de schaduw van deze moord nog altijd niet over dit gebied? Men zou het haast denken, als we horen van een predikant, die de gemeente gediend heeft en die ooit verzuchtte: “ Ze zullen het toch niet nòg eens doen?” Het moeten angstige uren voor hem geweest zijn. Het geeft aan dat het Friese leven soms ruige kanten kent. En wat te denken van de volgende regels uit het gedenkboek, waarin een lid van de gemeente aan het woord komt?
“Toen in 1900 de Christelijke Gereformeerde Kerk in Murmerwoude werd opgericht, was mijn overgrootvader (…) één van de mannen van het eerste uur. Het was toen allemaal ruzie in de Wouden. Dan liep mijn overgrootvader vanuit Broek onder Akkerwoude, waar hij woonde, met een bijl onder zijn jas naar de kerkenraadsvergaderingen in Murmerwoude. Dit hebben mijn tantes mij verteld”. Een zeer opmerkelijk en bijna ongelooflijk bericht! De tijden van Bonifatius leken toen echt te herleven. Het betreft hier dus de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk, waar de gemeente uit voortkwam. We hopen dat de tantes van toen zich wat vergist hebben, maar dat weten we niet. Het gerucht kan waarheid bevatten. In ieder geval, en dat is al een troost, is dèze bijl nooit aan de wortel der boom gelegd. Er is geen bloed gevloeid. Gelukkig!
De naam van Bonifatius valt ook nog een keer in de tijd dat ds. Bokhorst de gemeente diende. Het ging toen om grensverkeer met naburige gemeenten. In Murmerwoude leefde het besef dat deze gemeente de oudste papieren had. Dat was niet onjuist. Bij een bepaalde gelegenheid riep een ouderling strijdlustig uit: “ Gans de Wâlden hoort onder Murmerwoude. Hier is Bonifatius vermoord en niemand noch iets vermag deze gemeente iets af te nemen. Er is maar één Murmerwoude en dat strekt zich uit over half Friesland, kerkelijk bedoeld”. U leest het goed: er klinkt onverholen trots in deze woorden door; de moord op Bonifatius had voor deze broeder slechts positieve kanten. Misschien vanuit een sterke tegenkanting tegen Rome?
Het waren ruwe tijden. Daarmee hebben stellig ook de volgende regels te maken: “In de tijd dat Sinia erheen ging, was het volk daar met onkruid overgroeid en ruig. Van God en Zijn gebod had men geen weet. Daarbij was het armoe troef. Huizen werden verkocht voor veertien gulden per stuk. In één van die huizen had een vrijgezel gewoond die nu gestorven was. Daar kreeg Sinia de leiding. Sinia zat er eerst over in: een volslagen onkundig volk en bij de wilde beesten af. Toch raakte hij er op dreef. De Heere gaf hem veel vrijmoedigheid. Eerst begon hij op z’n zondags, in het Hollands. Maar al gauw ging hij verder in het Fries” (G.A. Wumkes, Het Friese reveil in portretten, pag. 181).

Het Noorden van het land verschilt ook in andere opzichten in belangrijke mate van Holland, al is het moeilijk om daar een helder beeld van te krijgen. Er zullen meer streken zijn, waar het in die eerste dagen van de genoemde eeuw heel anders toeging dan nu. Maar het Friese kerkelijke leven heeft ongetwijfeld een eigen traditie.
Dat blijkt reeds uit de kerkbouw. Veel dorpskerken uit oude tijden worden gekenmerkt door hun geringe omvang, het smalle kerkschip en de spitse torentjes. Bijna allen worden ze omgeven door graven, die tot dicht onder de kerkmuur zich uitstrekken. Trouwens, ook het begraven gaat in deze gebieden anders toe dan elders. Bezit een familie een graf of enkele graven op “het hof” bij de kerk, dan is het niet ongebruikelijk dat in hetzelfde graf van tijd tot tijd weer opnieuw begraven wordt. Het doet sterk denken aan wat we lezen in Gods Woord over het verzameld worden tot de vaderen. Verder is het nog steeds niet ongebruikelijk dat de rouwstoet eerst om het graf heentrekt, voordat men tot begraven overgaat. Ook de paden met het gruis van schelpen spelen hierbij een bepaalde rol. Er mogen liefst geen zichtbare voetstappen achterblijven.
Een ander gegeven is het feit, dat met name de Afscheiding in deze streken veel invloed heeft gehad. We noemen daarvoor ten bewijs alleen maar de namen van Ulrum en Drogeham. In de meeste gevallen hebben de Afgescheidenen zich in 1892 gevoegd bij de verenigde Gereformeerde kerken van Kuyper. Vooral Friesland kende veel grote Gereformeerde kerken en omdat juist de Synodaal Gereformeerden in haastige spoed zijn meegegaan met de ontwikkelingen van de tijd, blijkt ook juist in dit land hoe snel een degelijk en trouw kerkvolk in enkele decennia volkomen geseculariseerd kan raken. De invloeden van deze zich snel veranderende Gereformeerde wereld vormen een blijvende bedreiging voor de bevindelijke stroming, die in deze streken toch ook aanwezig was. Ook en tòch een bevindelijke stroming?
Ja, want we vergeten niet dat in vorige eeuwen veel oud-vaders verschillende gemeenten in Friesland hebben gediend. In een plaats als Leeuwarden heeft men er velen gekend; enkele bekende namen zijn dan Wilhelmus à Brakel en Hermannus Witsius. Eerstgenoemde heeft meerdere Friese gemeenten gediend.
Deze bevindelijke stroming heeft zich wellicht in de Afscheiding voortgezet en heeft zich eertijds stellig ook vertakt in diverse Christelijke Gereformeerde gemeenten.
We hebben ook reeds gesproken over het zeer eenvoudige en welhaast primitieve karakter van die dagen, juist in deze buurten. De woningen waarin veelal gewoond werd, noemt men nog steeds de “woudhuisjes”. Wat er nu nog van over is aan oude panden, verraadt nauwelijks nog iets van de eerste woonsteden die zo genoemd werden. Hier en daar staat nog een spitkeet, zoals men vroeger een bepaald type van deze woningen noemde.
Als een stel jonge mensen hun huwelijk lieten bezegelen op het gemeentehuis, gebeurde het wel dat de buren onderwijl de woning gereed maakten. Men diepte dan op een oppervlakte van misschien drie bij vijf meter de bodem een halve meter uit en van de plaggen bouwde men de wanden van het huis op; het geheel werd met riet overdekt. Meestal kende men slechts een woonruimte met alleen een bedstee voor de ouders. Kwamen er kinderen, dan sliepen deze onder enkele oude dekens bij elkaar in een hoek. We hebben het dan wel over de allerarmste bewoners; zo kon het echter op de Friese heide wel ècht toegaan.
In de geschiedenis van de Damwoudster gemeente treffen we veel sporen aan van het eenvoudige dorpsleven uit die dagen. De wegen waren niet verhard zoals dat in onze dagen wel het geval is. Het was verder met de verlichting buiten en binnen slecht gesteld. Dus kon huisbezoek eigenlijk alleen dàn gehouden worden, als de volle maan haar heldere schijnsel wierp over de zandwegen, die niet zelden gaten en kuilen en diepe plassen vertoonden. Lichtte de maan niet bij, dan bleven de broeders thuis. Maar ook kerkdiensten in de donkere winteravond konden niet zonder het maanlicht. De kerkgangers moesten immers in het donker over de smalle paden naar de kerk komen. Deze paden noemde men de Halepaden, die dwars door het buitengebied van weiden en bossen voerde. Over deze paden trokken de kerkgangers in groepen te voet voort. Onderwijl kon men psalmen zingen als een goede voorbereiding op de kerkdienst.
Ook binnen ontbeerde men het licht, dat aarzelend werd uitgestraald door een kaars of een gaskous. Een kerkenraadsvergadering had daar heel wat meet te stellen. Als de verlichting begon af te nemen, maakte men meestal ook maar een einde aan het vergaderen. Trouwens, de agenda vertoonde weinig stukken van belang. Dat is nu wel even anders geworden. Soms gebeurde het in Murmerwoude wel dat men bij elkaar kwam en geen vergadering hield, omdat er geen zaken ter tafel waren. Men bleef dan nog wat bijeen om te spreken over het geestelijke leven.
Eenvoud! Dat blijkt ook uit het feit dat de diaconie jaarlijks vijftig kilo rundvet uitdeelde onder de armsten van de gemeente. Men vroeg aan de kerkenraad enige steun voor deze uitgave, maar deze kon niet veel meer doen dan vijftien gulden beschikbaar stellen.
Genoeg voorbeelden die aantonen, dat het begin en het einde van de twintigste eeuw niet met elkaar te vergelijken zijn. Er is op alle gebieden enorm veel veranderd.